Waarom Frederique le Baut

Frederique le Baut is een docent op het Regius College in Schagen die les geeft als Frans docent, maar ook al jaren mentor is van verschillende klassen. Ik wou graag meer weten over het motiveren van leerlingen, de impact van samenwerken en de impact van techniek op het lesgeven.

Conclusie

Welke strategieën gebruikt u om studenten betrokken te houden tijdens lessen?

  • Voorkennis activeren: Leerlingen laten vertellen wat ze al weten over het onderwerp.
  • Gebruik van video’s: Bijvoorbeeld een korte luisteropdracht aan het begin van de les.
  • Aansluiten bij de belevingswereld van leerlingen.
  • Nieuwsgierigheid opwekken.
  • Laten zien dat leerlingen al iets weten en dat alles goed is.
  • Benadrukken dat ze er zijn om te leren.
  • Variatie in werkvormen en opdrachten.

Hoe speelt u in op verschillende leerstijlen en -tempo’s onder studenten?

  • Differentiëren: Rekening houden met een gemiddeld tempo en daar de taken op baseren.
  • Extra opdrachten voor snellere leerlingen.
  • Meer individuele aandacht voor leerlingen die achterlopen.
  • Verschillende manieren aanbieden om woorden te leren (auditief, visueel, bewegend).
  • Taakgericht onderwijs met duidelijke kaders.

Hoe verschilt de leerstijl van jongere leerlingen (bijvoorbeeld 10-12 jaar) van die van oudere leerlingen (13-15 jaar)?

  • Jongere leerlingen (brugklas) vaak enthousiaster en gemakkelijker te motiveren zijn.
  • Bij oudere leerlingen (vanaf de derde klas) de motivatie vaak afneemt.
  • Het werken in groepjes wordt moeilijker naarmate leerlingen ouder worden.
  • Oudere leerlingen hebben meer structuur en kaders nodig bij opdrachten.

Hoe belangrijk is samenwerking en peer-learning bij het leren?

  • Samenwerken kan motiverend werken als de groep goed is samengesteld.
  • Het kan leiden tot afleiding als leerlingen te veel kletsen.
  • Peer-learning wordt gezien als waardevol.
  • De docent gebruikt soms een buddy-systeem waarbij een sterkere leerling een zwakkere leerling helpt.

Hoe gaat u om met leerlingen die gedemotiveerd raken of opgeven bij moeilijke opdrachten?

  • Vermijdt meestal competitie omdat dit demotiverend kan werken voor zwakkere leerlingen.
  • Gebruikt competitie-elementen alleen voor basiskennis die al beheerst wordt.
  • Probeert een groei-mindset te stimuleren in plaats van een statische mindset.
  • Benadrukt het belang van de juiste woordkeuze bij het motiveren van leerlingen.

Welke positieve effecten heeft u gezien van het gebruik van technologie in uw lessen?

  • Gebruik van een digibord als verlenging van de computer.
  • Inzet van VR-brillen voor virtuele bezoeken aan plaatsen (bijvoorbeeld Parijs).
  • Gebruik van 3D-printers.
  • Integratie van technologie (zoals Snapchat) in opdrachten.
  • Technologie zorgt voor meer mogelijkheden en prikkels in de les.

Welke uitdagingen of nadelen ervaart u bij het gebruik van technologie in het onderwijs?

  • Het belang van balans: niet te veel prikkels.
  • De noodzaak om leerlingen ook te leren stil te zijn en geconcentreerd te werken.
  • De uitdaging om technologie zinvol in te zetten bij taalvakken.

Interview

(0:01 - 0:53) Dertien, dan zijn we hier, en ik zie het hier, dat gaat niet goed, want zes dat is dertien, toch? Dus je hebt er een andere over geslaagd hier, zie je dat? Ja, die zet, dus hier heb je een niet geschreven, als ik het goed heb, ja, ik mis nummer elf. Zie je hoe belangrijk het is, schrijf dit, want dan zie je wat je mist, weet je wat die zet is? Ja, wat is dat? Schrijf, nou schrijf, dan, hier wel? Ja, naar de paaltje, ja, tegen ons wel? Ja, ja, daar. Oké, nou, dus gaan we weer kijken, dan is het juli kators, dan slaan we die thuis, dus trawei weet je niet, dan heb je maak voor gedaan, oké.

(0:53 - 1:22) Is goed, nee, maar dan hebben we samen, dan is het zeventien, achttien, negentien, twintig. Wat schrijf je? Snap je hoe belangrijk is dit, dat je dat doet? Goed, dan kijk ik er later naar, je mag lekker gaan, fijne weekend, meisje. Oké, wat ga je doen dan? Oh, wat leuk, oh, daar wordt je geweest.

(1:23 - 1:55) Daar wordt geweest, dan? Ja, dan doe ik echt een heel groot gedoe, dat is echt heel leuk, dat zie je nu. Ja, nou, geniet ervan, dan vertel je maandag, goed? Ga je het vertellen maandag? Ik zie een heleboel dingen, een heleboel dingen erbij, bijvoorbeeld polen vertelt, oogmesh en tanden. Super, nou, ik zie het maandag, goed? Ja? Doei, doei! Laat ons een mini-presentatie maken in het Nederlands.

(1:55 - 2:07) Ja, dat is een goed idee, hou ook je aan, doe erover, zo’n bijzonder meisje. Ja, Comic Con is leuk hoor, je verkleed. Ja, voor die kinderen is het fantastisch.

(2:08 - 3:04) Oké, ik zal beginnen bij het begin eigenlijk, dus het project een beetje doornemen. Elke zaterdag is er op een andere plek in Kop van Not Holland, dus in Schagen, in Arnapalona, in Tijdjehoorn en in Den Helder, en organiseer ze in de bibliotheek een soort code dojo, noemen ze het, en dat is eigenlijk een plek waar kinderen van 12 tot 17 ongeveer kunnen komen en dan gaan wij ze begeleiden in van alles en nog wat, rondom techniek, dus 3D-printers, dus 3D-tekenen doen we en coderen doen we, en kleine robotjes, eigenlijk van alles wat ze willen, en dan komen ze gewoon binnen, het is gratis, wij zijn daar als vrijwilliger, en dan is het, nou ja, wat wil je doen vandaag, en dan succes. En daar hebben we, om het leren coderen, hebben we een aantal lesplannen eigenlijk.

(3:04 - 3:15) Hammerend. Ja, en dat wordt gedaan in een programma, en dat is eigenlijk gewoon een, hier ga je gang. Dus er is geen uitleg bij, er is eigenlijk helemaal niks.

(3:16 - 3:27) Een soort listen-up gebruiken jullie. Ja, inderdaad. En nu hebben we, als club die dat doen, hebben we sinds twee maanden twee virtual reality-brillen aangeschaft.

(3:27 - 3:40) Oh, wat gaaf. En tot nu toe vinden die kinderen dat echt geweldig, alleen het valt nog niet helemaal in het thema, want we kunnen er nog niks mee met leren. Het enige wat ze er op het moment mee kunnen is een spelletje spelen, of een YouTube-video kijken, of iets.

(3:41 - 3:54) En toen kwam mijn asje de opdracht, en toen dacht ik, hoe gaaf zou het zijn als ik een soort platform ga maken waarin die kinderen dus leren coderen, maar dan in virtual reality. Oké. En daar ben ik nu mee bezig.

(3:54 - 4:14) En daar gaat natuurlijk een heel onderzoek aan, vooraf van, wat voor manieren leren kinderen nou? Wat zijn nou de beste manieren? En dan moeten we een paar expert-interviews dus doen plannen. Dus docenten? Een docent bijvoorbeeld. En ik heb een interview staan met een andere docent op basisberoeps, en daar wordt al les gegeven met VR-brillen.

(4:14 - 4:18) Ja, klopt. Die ga ik ook met mijn klas naar toe. Oh, dat is heel interessant.

(4:18 - 4:24) Dat ben ik dit jaar geprojecteerd om dat te doen met Overstuk, ja. Kijk, dat is leuk. Nou ja, daar heb ik eigenlijk wat vragen over.

(4:24 - 4:44) Want ik moet natuurlijk op de beste manier eigenlijk weten hoe ik dat ga doen. Ja, dus daar speelt een heel groot stuk motivatie mee. Want we hebben tot nu toe gezien, die kinderen vinden het leuk, ze willen het ook wel, alleen op het moment dat er geen uitleg over is, ze weten niet hoe het moet, dan valt het gewoon vlak.

(4:44 - 5:02) Dan is het, ik wil het niet meer. Klopt. Dus mijn eerste vraag is inderdaad, wat voor strategieën worden er in een les gebruikt om kinderen dus betrokken te houden eigenlijk? En dat is vraag nummer 1. Vraag nummer 1. Nou, wat ik doe zelf is altijd de voorkennis activeren.

(5:03 - 5:15) Dus de kinderen roepen naar wat weet je over het onderwerp, of voorgelezen, enzovoort. En daarna probeer je de diepgang erin te krijgen. En dan doe je het op verschillende manieren.

(5:15 - 5:41) In het begin van de les probeer ik zelf altijd met een video, die praat over het thema, met een paar vragen in het Frans. Een luisteropdracht, en met een zoekopdracht op elkaar. Bijvoorbeeld vandaag met de derde klas gaat over Parijs, dus wij hebben een luisteropdracht in de methode, maar ik heb eerst een luisteropdracht, heel kort, om te kijken, hoor je me? Hoor je wat wordt gezegd? En dan heel specifieke vragen.

(5:41 - 5:49) Heel simpel, maar om ze te activeren en zorgen dat ze naar jou toe komen. Maar toch niet altijd. Nee, natuurlijk niet.

(5:49 - 6:03) Nee, maar de motivatie van de kinderen is, kom je een beetje dichtbij hun beleving ook, heel belangrijk, onjuscheurigheid, opweken, en voorkennis activeren. Laat ze zien dat ze wel wat van weet. En dat alles goed is.

(6:04 - 6:09) En dat je hier om te leren. Dus heel vaak zeggen ze, ja maar ik weet het niet. Ja prima, wij gaan het samen leren.

(6:09 - 6:20) En dat is eigenlijk de drie, vind ik, belangrijke sleutels. Het is natuurlijk ook zo. Het stukje voorkennis is natuurlijk bij ons wat lastiger, want de kinderen komen niet vanaf school of iets.

(6:20 - 6:29) Die komen gewoon in het weekend, hey dit lijkt ons leuk. Ja, maar je kan de voorkennis ook pakken in verband met het thema waar je niet mee werkt. En toevoeglijk met die bril.

(6:29 - 6:47) Wat weet je over deze bril? Wat kan je? Het voorkennis gaat niet altijd over wat je kan, over wat je nu gaat doen, maar kijk het even breed. Kijk even wat bij hoort. Ja, dus het hele plaatje in plaats van, wat ga je nu leren? En dan gewoon even iets wat ruimer oppakken.

(6:47 - 7:11) Ja, ik weet dat vroeger ook een bijvoorlijke naamwoord, volgens mij was dat een bijvoorlijke naamwoord, pak ik gewoon een video, het was een stukje van een voetbalwedstrijd, en dan moesten dan alle bijvoorlijke naamwoorden die ze daar zagen, en een korte beschrijving, en het moesten er maar drie worden. Maar weet je, de feit dat je iets groept die hebt met te maken met hun interesse, of wie leeft die rol, dan de kinderen gaan voor jou mee. Ja.

(7:11 - 7:28) En dat is eigenlijk de trucje. Ja, het meegaan, het zit nog steeds in mijn hoofd, of in de eerste of in de tweede moesten we de nummers leren, één tot twintig, en ik kan nog steeds die video van die twee wormen, die zie ik nog steeds. Het werkt nog steeds.

(7:28 - 7:34) Het werkt nog steeds. En dan zie ik kinderen van vandaag, die willen hem zo graag horen. Ja, dat snap ik, want dat is gewoon, ja.

(7:34 - 7:43) Maar dan groep je iets wat anders nog. Ja. Je groep iets dat je maakt het leren van een stof, met een andere vaardigheid.

(7:43 - 7:51) Dus je stimuleert het tweedeel van je hersen. En dat moet je ook niet vergeten, dat speelt ook een belangrijke rol. Nee, daar heb ik zelf onderzoek naar gedaan.

(7:51 - 8:03) Je hebt natuurlijk, tenminste, in onderwijs worden er drie, facial, audis en kinesthetisch, worden aangeraden, zeg maar. Ja. En in virtual reality is dat eigenlijk natuurlijk allemaal in één.

(8:03 - 8:21) Want je bent aan het kijken, je bent meteen iets aan het doen, en je hoort ook, nou ja, wat ik wil dat je hoort, uiteindelijk. Maar dat is, ja, voor ons was dat dus, oh, dingen die ze in virtual reality krijgen, die worden echt opgepakt, in plaats van dat ze zitten te kijken en dan… Ja, dat ze moeten, dat wordt voor hen nog gedragen, eigenlijk. Ja.

(8:21 - 8:41) Ja, dat was een interessant stuk. Dus wij dachten, nou, in plaats van dat we dit gaan proberen op een computerschermpje, gaan we het wat groter pakken en dan doen we het in een briljetje. Dat is geweldig.

Wel natuurlijk heel erg leuk. Ja. Even kijken, het volgende stukje is, er zijn natuurlijk leerlingen die op verschillende tempos leren.

(8:41 - 8:48) Het kan zijn dat er iemand voor of achter loopt. Ja, differentiëren. Je doet dat in onderwijs.

Ah, differentiëren. Oké. Ja.

(8:48 - 9:19) Maar er wordt nog steeds een les gegeven. Ja. Dus hoe wordt er dan, ja, hoe zorg je er dan voor dat die kinderen wel nog bij betrokken blijven, eigenlijk? Dat is de aandacht dat je geeft aan de leerling. Dan is het één op één. Ja. Dus je hebt 25, 26 of 30 leerlingen en dan moet je wel weten, kennen je leerling, dat is nummer één.

Ja. Ken je de leerling, hoe die zit in elkaar, wat is belangrijk voor hen. Bij je les moet je eigenlijk, ik, wat ik doe, ik rekening houden van een bepaalde tempo, gemiddelde tempo.

(9:19 - 9:25) Daar zijn de taken gebaseerd. Ja. En ik ben het principe dat ik zelf geen maakwerk op school.

(9:25 - 9:52) Op school gebeurt alles, thuis doen we niet. Waar alles, als ik zie, dat de tempo, want ik heb vrij een lege tempo in mijn les, merk ik, maar ik heb altijd extra opdrachten. Dus eigenlijk, ik baseer op een langzaam, niet de langzame, maar niet de… Ja, maar de gemiddelde bij wie een beetje traag is, zou ik zeggen.

Ja. Omdat er moet gekletst worden, er moet van alles een beetje gebeuren tussendoor. En daarnaast heb ik wel voor die snelle binkies.

(9:53 - 11:06) En wat, zo differencieer je. Je moet kijken, wat wil ik behalen? Ik zet mijn doel, ik zet de opdracht die bereikt mijn doel, en daarna kijk ik, wacht, even, ik weet dat deze groepie die gaat sneller, dan zal ik dat andere opdracht zijn, en als deze opdracht geef ik ze ook de kans om dingen te doen voor hunzelf. Ja.

Omdat het belonen, het is niet altijd extra extra, dat is basisschool dat ze vinden eerlijk, om tijger dingen te doen, hier wil ze liever wat anders. Dus je moet ze ook belonen, zeggen, oké, je bent klaar, en je hebt echt meer dan genoeg gedaan, dus je mag voor mij, voor gamma of beta een samenvatting gaan doen, of iets kunnen huiswerken. Voor die ene, dat ik weet dat die achterloopt, dan ben ik daar extra dus een tocht, extra bezig, dan loop ik even extra een rondje.

Ja, en dat is extra aandacht. Ja, inderdaad. Ja.

Dat is ook, die ben ik inderdaad ook tegengekomen, het stukje bij ons werd het praise genoemd, dus, ja, mijn hele, het is tot nu toe allemaal in het Engels. Ja, dat snap ik. Maar er is dus inderdaad er was een studie gedaan, en er waren twee groepen, één groep die werd verteld op, oh, wat ben je slim, als je zoiets oploste, en de andere groep werd verteld, oh, wat doe je dat goed? Ben je goed bezig? Ja.

(11:07 - 11:17) En je zag eigenlijk dat die eerste groep waarbij werd gezegd, je bent zo slim, dat die moeilijke opdrachten niet ging oppakken. Omdat ze dacht, oh, als ik hier bij blijf, dan ben ik dus slim. Ja.

(11:17 - 11:35) Terwijl de groep die, die ging steeds moeilijkere dingen oppakken, en zo. Dat is nog wel een stukje wat ik ook wil verwerken. Ja, de andere manier te verwoorden, de vocabulaire wat je gebruikt om de kinderen te stimuleren om te blijven.

Ja. Ook belangrijk. Dus dat past hier inderdaad ook mooi bij.

(11:35 - 11:42) Ja. Klopt. En dan heb ik nog een vraag over leerstijlen.

(11:43 - 11:58) En bij de verschillende leeftijden, verandert dat nog? Als iemand binnenkomt in de eerste klas, heeft die een andere leerstijl dan iemand? Je moet zien dat de motivatie voor de vakveranderd gigant is. En bij mijn vak is het echt goed zeerbaar. In de brugklas krijgt je bijna iedereen enthousiast.

(11:59 - 12:08) Ja. En wij bieden verschillende leerstijlen. Kijk, je moet die woorden stampen, en je moet ze kennen voor de toets.

(12:09 - 12:27) Maar toch zijn er verschillende manieren om woorden te stampen. En dat doen we met hun. Leren, leren.

Dan laten zien dat je kan auditief zijn, maar je kan ook visueel verricht zijn. Je kan ook meer met bewegen beter leren. Met je hand schrijven of met typen.

(12:27 - 12:57) Dan leer je dat later. Bij de brugklas gaat het vrij eenvoudig. Wij zetten alles erin qua leerstijl.

Ik bedoel, we doen alles. We doen spreekvaardigheid, auditievaardigheid, en we proberen heel veel in groepjes. En de tweede klas, de groepjes, wordt steeds moeilijker, omdat Ja, je moet steeds meer.

Ja, als er wordt eenmaal afgeleid, wil kletsen, dan kruisen ze niet aan. Dat is gewoon heel vervelend. En de derde klas, de motivatie zakt.

(12:57 - 13:08) Dus het wordt steeds moeilijker met leerstijl. Dan moet je echt heel veel gaan in je opdracht om een beetje bij hun te komen. Maar ook niet vergeten dat je doel is wel een bepaald stof te leren.

(13:10 - 13:22) Je wil heel graag leuke dingen doen, omdat je weet dat je kinderen zoveel meer aankrijgt. Dus ik weet niet hoe je kan dat noemen. Ja, ze zijn meer gemotiveerd als je iets leuks doet, maar daar leren ze misschien minder door.

(13:22 - 13:30) Ja, dat is het probleem, dat ze zoeken gemak om zo snel van af te komen. Maar dat is bij mijn vak. Ja, dat zal in het algemeen denk ik ook wel.

(13:30 - 13:45) Dus we gaan veel meer taakgericht op het onderwijs proberen te doen. Maar daar moeten we heel veel kaders geven, dat we niet de vertaling van Google krijgt. Nee.

Maar echt het werk van de kinderen. Ja. Dus dat is wel een zoektocht voor ons.

(13:45 - 13:56) Dus hoe ouder die kinderen worden, hoe minder de motivatie eigenlijk vanzelf komt. Klopt. Zeker.

Dus kinderen zijn in het begin wel leergierig. Ja. Dat komen we niet zien.

(13:58 - 14:12) Ja? Ja? Oh, je bent niet klaar? Nee. Vertel. Bij de tijden moet ik dan even neerzetten op het middag of avondje? Nee, dat hoeft niet.

Je kiest hetzelfde. Ja, precies. Dank je wel.

(14:17 - 14:27) Je zei net al iets over samenwerking. Dus de kinderen gaan in groepjes. Dat samenwerken, is dat een… motiveert dat? Of is dat juist beperkt? Dat kan twee dingen.

(14:27 - 14:41) Als je een goede groep is, motiveren. Omdat ze met elkaar te bot zijn. Ja.

En als een groep die veel te veel loomt met elkaar, dat is wel een spelkwartier. Ja. Dus het moet wel een mate… Ja, maar dat is weet je, jij weet het, accentonderwijs.

(14:41 - 14:46) En dat is groepen, heel veel groepjes. Ja. En dat is hoe de leermeester richt de groep.

(14:46 - 14:53) En de kids, maar je houdt nooit tegen dat altijd één of twee wil die verspellen dan aan het werk. Ja, klopt. En dan heb je de gedoe bij de groep.

(14:54 - 15:09) Ja. Ja, dat is natuurlijk ook zo. Dat weet je nog.

Ja, dat is… Dat gebeurt gelukkig op HBO een heel stuk minder natuurlijk. En ja, daar zit ook wel een verschil in denk ik, qua kinderen, hoe gemotiveerd die zijn. De motivatie is alles.

(15:10 - 15:16) Ja, dus bij ons… De kinderen die bij ons komen, die zijn gemotiveerd. Want het is toch op een zaterdag. Het is niet verplicht.

(15:16 - 15:33) Het is geen school. Die kinderen willen gewoon wat. Klopt.

En het stukje samenwerken op accent werken, dat is natuurlijk hartstikke fijn. Je kon je problemen met elkaar bespreken en je kon een beetje op elkaar af bouwsen. Af laten vallen, inderdaad.

(15:34 - 15:43) En dat zorgt ook voor tenminste bij mij in ieder geval. Leerwerk. Voor een leerwijzer.

Ja, je leert heel veel en je leert jezelf ook ontwikkelen. Ja. Volgens mij.

(15:43 - 15:45) Ja, dat zeker. Ja. Ja.

(15:45 - 15:49) Een stukje, ja, peer-leerlingen noemen we dat. Ja, klopt. Dat peer.

(15:49 - 16:04) Maar hoe heet het? Wat hebben jullie eigenlijk voor voordeel? Omdat het is iets in de vrije tijd. De kinderen kiezen voor. Ja.

Dan heb je een hele andere strategie nodig dan bij een les die verplicht is. Ja. Dat zie je ook hier met de onusprogramma.

(16:05 - 16:18) De kinderen kiezen om dat te gaan vorgen en dat gaat gewoon hartstikke goed. Ja, het gaat gewoon makkelijker. Ja.

Omdat er meer moet gebeuren. Omdat die kinderen, die staat al te papperen. Die willen het graag.

Ja. Maar ik weet niet hoe dat werkt met samenwerken. Omdat kennen de kinderen elkaar.

(16:19 - 16:26) Nee. Nee. En dat kan wel een spannende stukje zijn.

Ja. Niet al de kinderen zijn geschikt of kunnen samenwerken. Nee.

(16:27 - 17:25) Omdat ze elkaar dus niet kennen kan die stap wat groter zijn dan. Ja, klopt. Ja, dus een mogelijkheid om samen te werken is kan voordelen.

Ja, dat kan makkelijk, maar je moet wel een beetje een voorkeuring voor de kids hebben, denk ik. Ja. Dus je kan niet gewoon zeggen we kennen elkaar niet, succes.

Nou ja, je kan het proberen. Uiteraard. Maar kijk, je moet niet verbaasd van een bepaalde reactie.

Nee. Omdat ik, ja, ik ben van mening de kinderen voor vandaag zijn heel anders. Ja.

Dan een jaar of een voor corona. Ja, ja, dat zeker. Dus eigenlijk de optie geven om wel of niet samen te werken is natuurlijk een goede optie.

Ja, of kijken je kan het zelf verplichten, maar kijk op welke manier je wil dat de samenwerking gaan en wat is de opdracht en dat is wintie. Gelukt? Ja? Nu alles gebeurt? En? Wat is er te doen? Ongelooflijk. Ik kijk het van de weekend na en dan krijg je je cijfer.

(17:28 - 17:36) Nou, er is weer wat te doen. Nog meer weekendwerk. Ja, dan moet je wel wat doen.

Fijne weekend nog. Doei. Doei.

(17:40 - 18:08) Dat heeft ook mee te maken met intelligentie of, nee, ik vind altijd een woord die stom is. Ja, het gaat meer om… De leerkapaciteit van een leerling zorgt voor meestal dat hij meer geïnteresseerd in wat hij doet en wat hij wil gaan leren. Ja.

En een WWO-leerling is niet slimmer dan een NAVO-leerling. Het is meer gegicht met het leren. Daar is hij gauw wel weer wat makkelijker te prikken.

(18:08 - 18:17) En dat is heel belangrijk. Het verschil is niet per se, je bent slimmer, maar het is gewoon makkelijker. Ja, hoe het makkelijk met jou gaat met leren.

(18:19 - 18:22) Oké. En het overgestelde ook. Je hebt natuurlijk samenwerken.

(18:22 - 18:36) Tegenover het overgestelde van iets een beetje competitie onder leerlingen. Dus wat je tegenwoordig in spelletjes of dat soort dingen ziet, is dat het een of ander scorebord is. Ja, wij hebben een beetje gezien dat kan motiveren.

(18:36 - 18:56) Maar het kan ook heel demotiverend zijn. Dus mensen die vastzitten bij een groot of een probleem waar ze niet uitkomen, dus een woordje waar ze niet uitkomen, of een zin waar ze niet uitkomen, dat trapt die hele motivatie eigenlijk weg. Hoe zorg je er nou voor dat dat wel weer wordt opgepakt? Ik doe bijna nooit competitie.

(18:56 - 19:06) Ik heb er een hekel aan. Omdat ik ben, collega’s van mij die zeiden, met mijn klas moet je veel meer competitie tussendoor. Ik zeg, ja, maar dat onderdrukt die een dat die niet kan.

(19:06 - 19:19) En mijn vak, voor Frans, is een moeilijke vak. Dat weet ik. En in brugklas gaat het wel, maar als je die competitie zet in de tweede klas, dan gaat het stimuleren die jongens die niet lukt, meestal zijn het jongens, te zeggen ja, maar het lukt me toch niet.

(19:20 - 19:37) Dus wanneer ik iets als competitie sta, dat is meer een spelletje en dat zit altijd op de voorkennis met wat je hebt geleerd. Bijvoorbeeld hou ik lettertjes op tafel en met een belletje en de eerste groep die de meeste woorden heeft, dan mag die op de bel drukken. Dan kom ik kijken en dan klaar.

(19:37 - 19:57) En dan gaan we niet verder. Dat gaat over de basis van wat je hebt geleerd en niet wat je kan. Kijk, dat is een belangrijke dus het gaat niet over de stof die nog gaat komen, maar het gaat over de stof die al is geweest.

Dus zorg ik altijd ding dat zij hebt gehad en beheerst. Ja. Anders vind ik het, ja, dat gaat niet.

(19:57 - 21:57) Dat vind ik niet leuk. Het ding is natuurlijk, als iemand de hele tijd onderaan scoort, dan kom je op een gegeven moment vast in, oh, ik kan het toch niet, dan ga ik het toch niet proberen. Dan kom je in een statische mindset.

Ja, klopt. Dan hebben we dat bij ons. Terwijl je wil zo’n groeiend hebben dat ze denken van, oh, als ik gewoon mijn best doe, dan lukt het wel.

Ja. En dat stukje competitie, ja, bij ons was het, je hebt verschillende manieren om hetzelfde probleem op te lossen. Dus het zal een optimale manier zijn, maar je zal ook, iedereen zal een andere manier vinden om hetzelfde probleem op te lossen.

Klopt. En wat we natuurlijk een beetje naartoe willen wijzen is, kijk, als je het optimale, optimale oplossing hebt, dan leer je eigenlijk meer elementen dan als je je eigen oplossing gebruikt. Ja.

Want we introduceren steeds een nieuw stukje, een steeds nieuw onderdeel. En, ja, wij dachten dus als organisatie, als wij een scorebord maken aan de hand van, je hebt het opgelost, maar het kan nog beter, zou je het opnieuw willen doen? Maar het scorebord is individueel of is voor iedereen te zien? Dat zou dan wel voor iedereen te zien zijn. Dus dan kan je zien, hé, deze persoon heeft zoveel stapjes gedaan en ik heb drie stapjes meer, kan ik nog kijken of ik het in drie stapjes meer kan doen? Dus dan, ja, ik weet niet of het demotiverend dan ook… Nou ja, dat ligt dan, kijk, weet je, dat kan je zien pas met de type leerlingen of kinderen die je voor de neus hebt.

Ja. Kijk, daarna is een keuze van, die past bij jezelf, dat moet je ook niet vergeten. Onderwijs of lesgeven, dat is jezelf, je geeft een stukje voor jezelf voor de klas, dus dat moet bij jou passen.

Ja. Wanneer je iets doet die niet bij jou past, dat je niet staat erachter, dan gaat het niet bij de kinderen overkomen. Nee.

Dus dat is, wat je kiest, maakt niet uit. Als jij staat erachter en je weet je het over te brengen, dan is eigenlijk, je moet het zo zien, je verkoopt een broodje poep. Ja.

Dat zal ik even verurgelen. Je moet zorgen dat zij gaat eten. En dat is een docent.

(21:58 - 22:58) Ja. Je probeert echt die kinderen mee te krijgen in wat jij leuk vindt. Ja.

En als jij denkt dat het scoreboard, dan ben je enthousiast. En dan ga je het goed verkopen, snap je? Ja, dus dat kan dan weer goed overkomen. Precies.

En dat is zo belangrijk, hoe de docent of de persoon staat voor. Ja. Als je iets gaat doen dat jij denkt, ik sta er niet erachter, ik heb daar geen zin.

Nou, het is net als een hond of een kat, het ruikt. Zo komt het ook. Ja.

En dan gaat het niet overkomen. Ah, oké. En ik weet, een collega die werkt op heel veel wedstrijdjes, bijvoorbeeld bij een collega die doet de, wat zijn het noemen, de slang, de slanke woordenspel.

Bij iedere klas, dan moet ze woordjes achter elkaar schrijven en aan het eind van het schooljaar wie het meeste woorden heeft gevonden. En dan zit al die klassen, en dat werkt supergoed, want zij kan het. Ja.

En dan voelt zich niemand gedemotiveerd erin. Nee, maar dat is ook wel een, het is wel een stukje competitie, maar het is ook geen stukje waarin iemand kan zien dat hij het eigenlijk niet kan. Nee, precies.

(22:58 - 23:20) Het is een groepwerk. Ja. En dat is ander, en het is voorkennis.

Ja. Dat ook weer. Ja, dus het eigenlijk, je moet een stukje competitie vinden waarin iemand niet gedemotiveerd kan raken op zo’n manier.

Of een soort met wat ik vaak doe, is wanneer, na competitie, een buddy. Maar een buddy van één minder sterk met één sterk. Ja.

En elkaar helpen te dragen. Omhoog helpen. Ja.

(23:20 - 23:28) En dan niet vergeten, jongens, jullie werken samen. Dus heel vaak de leerling gaat individueel, nee, je werkt samen. Ja.

(23:28 - 23:45) Het gaat om samen sterk zijn, maar het is wel, je moet er wel voor achterstaan. Dat is wel belangrijk. Je moet er zelf in geloven, anders komt het ook niet op die manier over.

Nee. Oké. Nou, dat is in ieder geval duidelijk.

Ja. Daar kan ik sowieso wat mee. Even kijken, dan technologie in het algemeen.

(23:45 - 23:53) Dus laptops, telefoons. Nou, het is wel makkelijk. Waar mag geen telefoon in je hebben? Nee, dat… Oké.

(23:54 - 24:09) Heerlijk. Ze hangen er niet, die telefoontassen. Nee, nee.

De telefoon moet in de kluis. En dat is heel mooi dat het niet meer hoeft. Dus als je echt een opdracht wil maken, waar ze bijvoorbeeld, ja, ik wil zo binnenkort een opdracht maken, waar ze een selfie met een monument uit Parijs doen, en dat kan via Snapchat.

(24:10 - 24:43) Ja. En niet, en dat kan niet in de lijst, dus dat wordt een thuisopdracht. Nou.

Ja. Wat vind je ervan? Ja, ik zat al te kijken. Prachtig.

Ja. Dat is heel leuk. We hebben nu een digibord, dat is eigenlijk een verlenging van je computer.

Vroeger, mijn deed ook touchscreen, maar iemand heeft hem geblokkeerd en die brengt het toe. Ik moet dat deblokkeren, dan moet ik nog afkomen. Dat ga ik nog even doen.

Er zal vast een slimme persoon ergens rondlopen die dat wel kan maken. Nou ja, ik denk het wel, maar tot nu toe, al de slimme collega, weet het niet. Dus ik heb nog, kool was er ook niet, neerwiet was er nu ook niet achtergekomen.

(24:44 - 25:04) En dat is een van de slimste op dit gebied. Nou, dit gebruiken we heel veel. Laptops hebben kinderen ook.

En bij de Hofstraat hebben we nu een laboratorium met 3D-bril. Ja, daar ga ik mezelf ook nog even een kijkje nemen, uiteindelijk. En daar heb ik ook een paar leerlingen van die ik ook en we hebben ook 3D-printer.

(25:05 - 25:18) Oh, zo. En dat wordt gebruikt meestal met honours. Oh, wel. Ook aan de kinderen, een bepaald ding. Dat doet mevrouw De Rode dat. Oh ja.

(25:19 - 25:44) En de 3D-bril, nou ja, tot nu toe, weet je, het was een vak van mij, was er nog niet ingezet. Bijvoorbeeld met de derde klas ben ik met een hoofdstuk waar een deel van Parijs wordt gepraat. Toen heb ik gezegd, nou, ik koppel Parijs aan deze hoofdstuk.

Ja. En dan iedere les hebben we dan een stukje kennismaking over Parijs met een film of een liedje of een opdracht uit Parijs in het algemeen. En eind van de hoofdstuk, dan gaan we naar daar.

(25:45 - 25:57) Zij heeft voor mij nu een monument moeten kiezen. De Lievelingmonument van Parijs, dat zullen we ooit willen bezoeken. En dan gaan we daar met de 3D-bril en dan moet ze daarna een mini-presentatie voor mij maken.

(25:58 - 26:06) Natuurlijk voor de Chromebook en die selfie via Snapchat. Ah, oké. Dus ik breng die technologie nu even in de les op die manier.

(26:06 - 26:29) Ja, dat is natuurlijk de meest simpele. Ja, dat is de manier die tot nu toe het meest wordt gebruikt voor via onderwijs. De plekken bezoeken die je normaal niet kan zien natuurlijk, of historische plekken of een stukje van Parijs is natuurlijk ook zo’n ding.

Ja. Maar dat is wel, die hele invloed is wel positief. Dat denk ik.

Ik moet het meemaken met ze. Ik hoop het. Ze hebben het nog niet gedaan natuurlijk.

(26:29 - 27:28) Nee, ze hebben het nog niet gedaan. Dan kan ik je vertellen in oktober, november. Ja, maar zelf denk ik, motiveert het.

Ja, dat denk ik wel. Maar anders technologie echt zelf inzetten? Nee, bij mijn vak niet. Nee.

Je hebt het meer bij een technische docent. Dat is natuurlijk ook zo. Mevrouw, wie had jullie? Meneer Piet Korvel? Ja, dat was techniek docent inderdaad.

Ja. Ja, ik wil sowieso nog kijken of ik toevallig een informatica docent kan vinden ergens. Nou, dat kan ik niet anders.

Maar die had je in de bovenbouw? Ja, meneer Boor was dat. Want, nou ja, ik moet ik ben deze week afronden van mijn onderzoek eigenlijk. En dan volgende week ga ik gewoon beginnen met het maken van een prototype in VR.

En uiteindelijk ga ik dat testen bij de kinderen bij de Code Dojo. O, wel leuk. En als dat, nou ja, goed wordt gekeurd, dan ga ik er echt iets van maken.

(27:29 - 27:44) En dat moet getest worden. En dan wil ik wel graag kijken of ik nog een teruggrap kan doen naar een echt klaslokaal. Ja.

Dus daar moet ik ook een informatica docent gaan vinden. Ja, ik moet even kijken, wie zijn de informatica docenten nu? Maar volgens mij is die nog steeds die ene dat je had toen. O ja.

(27:44 - 27:52) Nee, ik weet niet. Ja, Theo. Theo is er nog steeds.

Oké. Dus dat kan je melden. Ja, nu moet ik even mijn e-mailadres even weer achterhalen.

(27:53 - 27:59) Ja, maar die kan ik voor jou opzoeken. O ja. Even kijken, maar dat zijn dus tot nu toe is het positief.

(28:00 - 28:34) Ja, dat zorgt voor meer mogelijkheid in je les. Ja. Minus saai.

Ja, dus het is het komt steeds weer terug op het stukje het motiveert weer. Ja, om prikkels. Ja.

Even de kinderen kunnen prikkelen. Ja. Klopt.

Ja, want die prikkels, dat is hoe meer prikkels, hoe meer… Nou, meer prikkels. Wel, ik denk dat je de nieuwsgierigheid kan opzoeken. Ja.

Maar het kan ook af en toe teveel, en even constant een balans vinden. Ja. Dus een lesgever is ook een stukje saai.

Dat mag ook saai worden. Ja. Maar die kinderen hebben daar heel veel moeite op, dat het saai is.

(28:34 - 29:08) Dat het saai is. Ja, maar dat is natuurlijk ook wel een beetje omdat de hele… Alle kinderen die nu zeg maar naar de middelbare school komen, die zijn wat anders opgegroeid. Ja, het gaat altijd maar snel.

Ja. Dat is gewoon een andere soort van leuke les dan wat wij hadden. Nou ja, ik denk dat de lessen zijn wat veranderd.

Maar de kinderen meer dan… Wij proberen ze nog toch wel leren. Je kan ook stil zijn, en half uurtje stil, en dan werken op een leshotel. Natuurlijk.

Ja, dat moet wel kunnen. Want in een oor onderwijs moet dat. Top? Ja.

(29:09 - 29:14) Ja. Want opleven met dingen, gaan lezen, dat kost je heel veel tijd. Dat kost je inderdaad heel veel tijd.

(29:14 - 29:32) Ja, het ligt natuurlijk ook aan… Kijk, mijn opleiding is redelijk praktisch ingericht. Dus wij… Ja, ik heb denk ik in de afgelopen vier jaar in totaal drie… vier examens gemaakt, en de rest zijn gewoon allemaal opdracht geweest. En voor mij werkte dat gewoon beter.

(29:32 - 29:43) Dat wist ik van mezelf. Maar je had NT gekozen, toch? Ja. Ja, dat past ook eigenlijk.

Dat is meer praktisch natuurlijk. Klopt. En dit is een leuk stukje eraan vast voor mij.

(29:43 - 29:46) Ja. Super. Waar ik naartoe ga.

(29:47 - 29:59) Even kijken of dat het was, of dat er nog meer was. Dit was het, bedankt.